Het meisje in de klittenbandjurk

Er was eens een meisje dat een jurk van klittenband droeg.

Op jonge leeftijd, nog voor ze een alternatief kon hebben geleerd, had ze die jurk in elkaar genaaid van alle stukjes die ze van haar moeder en grootmoeders had geërfd. In de steken waren boodschappen en overtuigingen verweven. Van haar cultuur, haar religie, haar familiesysteem, de media en volwassenen die niet beter wisten omdat zij ook klittenbandkleding droegen. Er waren ook lagen van trauma en generatiebagage die ze niet begreep maar die toch in de jurk terechtkwamen. De jurk prikte en zat ongemakkelijk, maar ze droeg hem omdat ze gekleed moest zijn.

Het klittenband maakte het gemakkelijk voor andere mensen om dingen aan haar te bevestigen. Sommige mensen hingen verwachtingen op over hoe ze zich moest gedragen of wat ze voor anderen moest opofferen. Anderen hingen hun behoeften op, met de wens dat zij die zou vervullen, en de pijn waarvan ze niet wisten hoe ze die zelf moesten dragen. Weer anderen hingen hun afkeuring en oordeel op. Dan waren er nog de verwachtingen over hoe ze eruit moest zien, hoe ze zich moest kleden, de gedragsregels voor lieve meisjes, de druk om mensen te plezieren en niet buiten de lijntjes te treden. Er waren zoveel dingen dat ze de tel kwijtraakte van alles wat aan haar jurk kleefde.

Het was zo’n vertrouwd patroon om de dingen van andere mensen aan haar jurk te hebben hangen dat ze het zelf ook deed. Ze pikte stukjes op waar andere mensen verantwoordelijk voor hadden moeten zijn. Zei ja als ze nee wilde zeggen. En voegde lagen toe van schaamte, angst en meningen van anderen. Ze was zo begraven onder het gewicht van de jurk dat ze geen idee had hoe ze er daaronder uitzag.

Haar jurk kleefde zo goed, eigenlijk, dat ze nieuwe lasten kon oppikken simpelweg van een afkeurende blik, of een passief-agressieve zucht van iemand die op haar bouwde.

Tegen de tijd dat ze een jonge vrouw was, waren er veel dingen aan die jurk vastgemaakt. Ze stond niet stil bij het gewicht ervan, ze wist dat het haar lot was om rond te lopen met wat anderen op haar pad hadden gegooid. Ze voelde zich nuttig, en mensen begonnen haar te prijzen voor haar draagkracht zonder te bezwijken onder het gewicht.

De jonge vrouw trouwde en kreeg kinderen, en de jurk werd steeds zwaarder. De man die ze trouwde had pijn, angst en onzekerheid die moeilijk voor hem waren om te dragen. Hij gooide die haar kant op, in de overtuiging dat haar geloften betekenden dat zij het namens hem zou dragen. Ze voldeed aan die verwachting, gelovend (omdat die overtuiging een van de vroegste dingen was die aan haar jurk waren gehecht) dat een verantwoordelijke echtgenote dat inderdaad moest doen. Helaas, net als haar eigen moeder, gaf ze het voorbeeld van de klittenbandjurk aan haar dochters. Ze gaf hen kleine stukjes door om aan hun eigen jurken te beginnen.

Overal waar ze werkte en vrijwilligerswerk deed, was het hetzelfde. Collega’s en bazen feliciteerden haar met hoeveel ze kon dragen, legden er hun eigen stukje bij en liepen verder.

Uiteindelijk kwam er een dag dat de jurk zo zwaar werd dat de vrouw nauwelijks kon ademen onder het gewicht. Ze stutte de zware jurk op als een betonnen tent, gleed naar beneden in de holte die eronder ontstond, krulde zich op tot een bal en huilde, en huilde. Ze had geen idee wat ze met deze enorme jurk moest doen die haar gevangenis was geworden.

In haar kleine grot onder de jurk begon ze te fantaseren over hoe het zou zijn om zonder die jurk te leven. Hoe vrij ze kon bewegen in de wereld zonder verwachtingen, oordelen en behoeften van andere mensen.

“Genoeg!” schreeuwde ze naar zichzelf om zichzelf wakker te maken uit de droom. “Fantasieën hebben niets te maken met de ECHTE WERELD!” Met nieuwe vastberadenheid stond ze op van de grond, gleed terug in de jurk en ging door. Want doorgaan was wat ze het beste kon.

Maar de fantasie liet haar niet los – hij bleef opduiken in haar bewustzijn wanneer ze het minst verwachtte, en al snel glipte ze regelmatig weg in haar kleine grot onder de jurk, speelde met het idee en begon langzaam te geloven dat een ander leven misschien mogelijk was.

De fantasie groeide tot hij haar zelfs bezighield wanneer ze zich niet verstopte in haar grot. Op een dag liet ze een kleine gedachte in haar verbeelding toe… “Wat als ik begin met het afpellen van een paar dingen die aan deze jurk vastzitten?” Die gedachte deed haar hart sneller kloppen, dus reikte ze naar beneden en plukte het ding dat het gemakkelijkst te bereiken was eraf. Het was een culturele verwachting van hoe ze zich op het werk moest kleden. Ze liet het op de grond vallen en voelde een kleine golf van vrijheid en hoop.

Vervolgens plukte ze wat stukjes schaamte en angst weg die anderen op haar hadden geprojecteerd. Ook die vielen op de grond aan haar voeten.

Plotseling zat de wereld vol mogelijkheden. Met elk ding dat ze afpelde, voelde ze zich een beetje lichter, een beetje meer zichzelf. Ze begon zich te herinneren hoe ze eruitzag onder de jurk, en die herinnering vervulde haar met vreugde en verwachting.

Veel van de dingen die ze afpelde, konden eenvoudig op de grond worden gegooid, maar andere dingen moesten behoedzaam worden teruggegeven aan de persoon die ze er in de eerste plaats had neergelegd. Die waren moeilijk, want een van de dingen die het meest strak en koppig aan haar jurk vastzat, was de verwachting dat ze nooit iemands gevoelens mocht kwetsen.

Voor sommige van de moeilijkste dingen om los te laten, had ze ondersteuning nodig – mensen die zelf ook pelden, deskundigen in pellen, en mensen die de systemen wilden ontmantelen die haar hadden geleerd de jurk te dragen. Soms zat ze in kringen met anderen die klittenbandkleding droegen en deden ze allemaal wat afpelwerk samen. De steun van de groep maakte het werk wat makkelijker.

Enkele dingen duurden veel langer om af te pellen dan andere. Het verdriet van haar man bijvoorbeeld, kostte vele jaren om los te maken. In het proces ontdekte ze dat het huwelijk geen enkele zin meer had zonder wat vast had gezeten. Ze voelde zich een beetje eenzaam zonder dat langdurige gewicht aan haar jurk, maar toen het weg was, realiseerde ze zich hoeveel dichter ze bij haar ware zelf was gekomen.

Op een dag, nadat ze heel wat dingen had afgepeld, bleek de jurk eronder niet meer zo plakkerig als eerst. Andere mensen probeerden dingen in de lege ruimtes te gooien, maar die gleden of stuiterden terug naar waar ze behoorden. Ze was enorm opgelucht te ontdekken dat ze niet langer hoefde te vangen wat niet van haar was.

Naarmate haar jurk lichter en minder kleverig werd, was zij meer in staat om mensen te steunen in het bij zichzelf houden van hun problemen en pijn, zonder dat iets aan haar bleef plakken. Ze kon even met hen zitten, hen een plekje in haar grote hart aanbieden. Daarna kon ze weglopen zonder hun gewicht op haar jurk te dragen. Ze had hen had geholpen hun last te verlichten, door bij hen te zitten, dus voelde ze zich niet schuldig.

Niemand is perfect, en soms – vooral vermoeid en overbelast – liet ze nog steeds dingen plakken die niet van haar waren. Soms berispte ze zichzelf voor die momenten van zwakte, maar ze werd steeds beter in het opmerken en afpellen van wat er niet hoorde.

En op een dag merkte ze hoeveel lichter ze zich voelde en hoeveel ze van de vorm van zichzelf hield die tevoorschijn kwam onder het gewicht van de jurk. Ze keek naar zichzelf, glimlachte en zei: “Hallo vriendin – het is heerlijk om je weer te zien!” Toen danste ze.

Vergelijkbare berichten

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *